Victorine de Graaf-Peters, lid College van Bestuur Windesheim
Van verpleeghuis tot Instituut voor Life Science & Technology, van bouwbedrijf tot domein Gezondheid & Welzijn. Victorine de Graaf-Peters doorliep een gevarieerde loopbaan voordat ze afgelopen november aantrad als lid van het College van Bestuur van hogeschool Windesheim en daarmee automatisch ook bestuurslid van TechForFuture werd. Het vormde haar visie op participatief onderzoek met snelle iteraties, doorgaande lijnen in onderwijs en onderzoek, en brede samenwerking in innovatiewerkplaatsen.
Victorine de Graaf-Peters studeerde HBO Verpleegkunde aan hogeschool Saxion in Deventer en was op haar vijfentwintigste hoofd Zorg van een aantal verpleeg- en verzorgingshuizen. “Zo zat ik al vrij vroeg aan een soort top van mijn carrière en besloot ik daarom verder te studeren, ontwikkelingspsychologie en functieleer, met nevenrichting klinische psychologie. Ik combineerde dat met een technische invalshoek vanuit de cognitiewetenschappen, terwijl ik daarnaast heel praktisch keek naar het gedrag van mensen en de ontwikkeling van kinderen. Vervolgens ben ik promotieonderzoek in UMC Groningen gaan doen over de ontwikkelingsneurologie van kinderen. Na mijn promoveren heb ik programmamanagement gedaan voor het Healthy Ageing Netwerk Noord-Nederland. Vervolgens kreeg ik bij het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie de adviesportefeuille Beweging en Gezondheid, waarvoor ik veel in Den Haag en Brussel kwam en grote wetenschappelijke programma’s heb opgezet. Daar begon mijn fundamentele belangstelling voor de echte toegepaste wetenschap.” Zo bestreek De Graaf-Peters een breed terrein in de (para)medische wereld.
Bio en chemie
Het noorden en het onderwijs en onderzoek bleven echter trekken. Zo kwam ze bij de Hanzehogeschool in Groningen terecht, waar ze directeur werd van het Instituut voor Life Science & Technology. “Dat omvatte chemie, chemische technologie, bio-informatica, biomedische research en medische diagnostiek. Voor het samenbrengen van de twee bloedgroepen, chemie en biologie, zochten ze iemand die van buiten kwam en gepromoveerd was. De biowereld kende ik, de chemie en zeker de chemische technologie was voor mij totaal nieuw. Meteen kwam ik in de commissie-Willems, die na het omvallen van aluminiumproducent Aldel een nieuwe toekomst voor het chemisch cluster in de Eemshaven moest vinden. Dat was een mannenbolwerk, waar ik ontzettend veel heb geleerd van bedrijfsvoering en logistieke processen. Tot de groenste chemische haven van Nederland komen, dat hadden we ons ten doel gesteld. Zo kwam ik met die wereld in aanraking en ging ik een kenniscentrum voor de biobased economy binnen de Hanze opzetten. Dat was een soort TechForFuture, maar dan binnen de chemie en chemische technologie, met de Zernike Advanced Processing faciliteit. Daar werd op dezelfde wijze als bij TechForFuture multidisciplinair samengewerkt in toekomstgericht onderzoek. Ik heb me er enorm vermaakt.”
Leiderschap in bouwbedrijf
Na zeven jaar maakte De Graaf-Peters bewust een zijstap buiten de wereld van onderwijs en onderzoek. “Ik had veel contact met het bedrijfsleven en veel aannames over hoe zij erin zaten. Maar soms staken ze geen geld in initiatieven die volgens mij belangrijk waren – waarom niet? Dat wilde ik een keer van binnenuit ervaren, anders zou het een gemis in mijn ontwikkeling zijn. Ik kreeg de kans bij bouwbedrijf Van Wijnen, toen CEO Peter Hutten een buitenstaander zocht voor de functie van directeur Groningen. Hij wilde mogelijkheden onderzoeken om op een andere manier te gaan bouwen en samenwerken. De eerste anderhalf jaar vond ik het er fantastisch. Ik heb daar met andere bouwbedrijven gewerkt aan de Bouwimpuls voor het aardbevingsgebied, een gebiedsgerichte aanpak ontwikkeld, gewerkt aan verduurzaming en nieuwe technieken, en verbinding gelegd met het onderwijs. Na de overname van het familiebedrijf door een investeerder werd het voor mij echter minder interessant. Want het ging weer meer richting projectmatig bouwen, terwijl ik creativiteit nodig had. Dus toen ging ik op zoek naar wat anders. Ik ben heel dankbaar voor wat ik daar heb geleerd, aan projectmanagement, risicomanagement en financieel management, en een andere manier van leiding geven dan we in het onderwijs gewend zijn. Recht door zee en duidelijk; dat is ook nodig want iedereen moet ’s avonds weer veilig naar huis – veiligheid staat op één en daarvoor kijk je soms anders naar leiderschap.”
Kenniscirculatie
Alle ervaring nam De Graaf-Peters vier jaar geleden mee naar Windesheim, waar ze directeur werd van het domein Gezondheid & Welzijn. “Dat was weer een slag groter dan waar ik bij de Hanze had gewerkt.” Ze kon gelijk aan de bak, met doorontwikkeling van het domein, inrichting van de organisatie, versterking van de samenwerking met het werkveld en het opvangen van de terugloop in middelen. “Na de extra coronagelden en de kwaliteitsgelden voor het onderwijs kon het wel een tandje minder. Echter, de enorme bezuinigingen die inmiddels waren ingezet, vind ik wel wat te veel van het goede, zeker omdat de behoefte vanuit de samenleving op het vlak van gezondheid en welzijn alleen maar toeneemt. Ik hoop dat er in de nieuwe regeringsperiode meer balans komt. Want je wilt niet alle kwaliteit verliezen en zeker niet alle innovatie. Dat is gelijk een mooie brug naar TechForFuture. Als je niet oppast, verdwijnt dit soort initiatieven als eerste, want men is toch geneigd om de basis zoveel mogelijk in stand te houden. Terwijl je toekomst juist ligt in initiatieven waarmee je in samenwerking met bedrijfsleven, studenten en onderzoekers kennis laat circuleren. Want de wereld verandert zo enorm snel. Toen ik bij Windesheim binnenkwam, waren net de curricula vernieuwd; die zouden helemaal futureproof zijn. Maar als je nu ziet wat in een paar jaar tijd generatieve AI heeft gedaan met het onderwijs. We kunnen niet meer zeggen dat het onderwijs toen futureproof was met wat we studenten moeten meegeven over AI en met hoe het toetsen verandert door de opkomst van generatieve AI. Dus we moesten eigenlijk gelijk alweer aan de bak. Maar dat is ook waarom mijn hart bij het HBO ligt. Want daar heeft de kenniscirculatie direct invloed op het onderwijs, de samenleving en de nieuwe professionals die je de markt op stuurt.”
Onderzoek door studenten
In die kenniscirculatie speelt onderzoek een cruciale rol, stelt De Graaf-Peters. “De maatschappelijke uitdagingen vragen om toegepast en vooral participatief onderzoek, dat past bij de snelle veranderingen in deze tijd. Je doet onderzoek in de praktijk, bekijkt gelijk de effecten en werkt zo iteratief verder – samen met studenten, docent-onderzoekers, lectoraten en de werkomgeving zelf. Dat kan een bedrijf zijn, maar ook een zorginstelling of een wijk met zijn bewoners. Als je alle partijen laat participeren en iteratief blijft onderzoeken wat werkt en wat niet, bereik je dat die kennis direct effect heeft. Omdat alles zo snel verandert, kunnen we het ons nauwelijks meer permitteren om te zeggen: nou gaan we het eens even uitzoeken, we doen een rapportje, bekijken het in de praktijk en nog eens in het lab, en gaan dan eerst nog naar een volgende pilotschaal. Je hebt de meeste kans op een gunstig effect als je het direct participatief kunt aanpakken.”
Hiermee was De Graaf-Peters al bezig bij de Hanze. “De laatste jaren komt het echt in een versnelling, maar daar was dus al de Zernike Advanced Processing faciliteit. Die zat nog op de schaal tussen het lab en de echte chemische fabriek, maar was al wel gericht op samenwerking tussen bedrijven, overheden, universiteit, HBO en MBO. Daar heb ik geleerd dat je onderscheid moet maken tussen ‘nice to know’ en ‘need to know’. Bij zware techniek en dat soort zaken kun je je natuurlijk geen fouten veroorloven. Studenten moeten juist fouten mogen maken, maar zijn wel degelijk in te zetten bij onderzoek. Want uit alle ‘nice to know’-zaken waaraan zij kunnen werken, komen weer ‘need to know’-vragen voor het onderzoek.”
Doorgaande onderzoekslijnen
Bij Gezondheid & Welzijn zag De Graaf-Peters eveneens dat deze benadering werkt. “Dat komt door hoe de lectoraten het aanpakken: direct iets implementeren en gedurende het onderzoek kijken of het werkt en wat niet werkt. Dat moet je natuurlijk ethisch verantwoord doen, met alle checks & balances. Maar ik zag dat daardoor daadwerkelijk soms in een half jaar tijd een complete werkvloer kon veranderen, en dat is wat we nodig hebben. Ik hoop dat TechForFuture en TechYourFuture ons dat ook kunnen brengen: wat je ontwikkelt meteen in de praktijk vorm geven en dan iteratief testen, zodat je direct die werkvloer kunt veranderen. Bij de eerste kennismaking is mijn indruk dat het er zeker in zit, maar dat we met elkaar nog wel een slag kunnen maken, met name richting het onderwijs. Er zijn al ontzettend veel succesvolle projecten, maar ik zie graag nog wat meer doorgaande lijnen, zodat we in de toekomst iteratief – niet alleen in losse projectjes – kunnen blijven werken aan verbeteringen.”
Doorgaande leerlijnen
Waar De Graaf-Peters vooral nog naar streeft, is meer verbinding met het onderwijs. Kansen daarvoor ziet ze in domeinoverstijgende verbintenissen. “Met groepen waarin studenten van een brede komaf samenwerken in projecten. Dat blijkt in de praktijk soms nog weerbarstig, maar hier kan de Eigen Leerroute enorm aan bijdragen.” Ze wijst daarmee op het flexibele onderwijsconcept van Windesheim waarbij studenten zelf de regie hebben over hun studietempo en leer- en toetsvormen. “Een eigen leerroute kan het logistiek voor studenten enorm vereenvoudigen om met elkaar aan hun leeruitkomsten te werken, bijvoorbeeld in een project van TechForFuture. Dan krijg je telkens weer een gemêleerde groep die oppakt wat er al is onderzocht, met alle participanten kijkt wat de effecten zijn en wat ze verder kunnen oppakken en verbeteren. In een eigen leerroute kunnen studenten meer zelf hun leeruitkomst bepalen en hebben ze meer vrije ruimte om in dit soort projecten te participeren. Omgekeerd krijgen de lectoren zo meer grip op wat er in het onderwijs terug zou moeten komen. Want de lectoraten zijn veelal goed geëngageerd met hun regio en de bedrijven waarmee ze samenwerken. Ze werken op basis van de vraag en de kleur van de regio en dat kunnen ze terugvertalen naar het onderwijs. Vaak kijken we vanuit het onderwijs met studenten bottom-up: ze kunnen een MBO-opleiding doen en deze laten opvolgen door een associate degree (tweejarige HBO-opleiding, red.) – die is weer te koppelen aan een bacheloropleiding en dan kun je eventueel nog een master volgen. Maar we kunnen die leerlijnen ook top-down bekijken. De lectoraten weten welke thema’s spelen in de regio – in bedrijven, zorginstellingen en andere organisaties – en daarop kun je voor je masteropleidingen inspelen met uitstroomprofielen gekoppeld aan een lectoraat of een kenniscentrum. Dat geeft terugredenerend mogelijkheden voor uitstroomprofielen binnen je bachelor en dat biedt weer kans op case studies op dat gebied in de associate degree. Zo kunnen studenten keurig een bepaalde route volgen die past bij de couleur locale van de regio.”
Gekoppelde uitstroomprofielen
Als voorbeeld noemt De Graaf-Peters het Windesheim-lectoraat Persoonsgerichte Zorg en Ondersteuning. “Dat wordt medegefinancierd door Isala, Carinova, Icare en IJsselheem, zorginstellingen waarvoor het thema enorm belangrijk is: hoe breng je de tweedelijnszorg naar de nulde lijn en hoe moet die zorg dan veranderen? Dit is ook een uitstroomprofiel in de opleiding HBO-Verpleegkunde en in Social Work. Verder is er een master Persoonsgerichte Zorg en Ondersteuning. Zo hebben we een lectoraat gekoppeld aan een master en kun je bij dit lectoraat ook een afstudeerthema kiezen binnen de bachelors Social Work en Verpleegkunde en een case-studie passend bij de brede associate degree Social Work. Zo maak je een koppeling van buiten naar binnen, waardoor kennis vanuit onderzoek gaat circuleren. Laat ik een voorbeeld geven. Een cliënt in een instelling die naar de dagbesteding wil, komt vanwege incontinentieproblemen nooit buiten de deur. Kunnen slimme incontinentiematerialen hier een oplossing bieden? Dat levert maatschappelijke winst op, want iemand kan weer naar de dagbesteding, en financiële winst, want je bespaart op de zorgkosten. Als deze case vaker voorkomt in de zorg, kun je het in de bachelor oppakken. En dat kan weer input opleveren voor een masteronderzoek: welke verandering is er nodig voor het invoeren van slimme incontinentiematerialen in de zorgverlening, welke lobby’s zouden er moeten komen richting verzekeraars, enzovoort? Zo pak je de doorgaande lijn goed op. Je hebt daarvoor initiatieven nodig die dat gezamenlijk kunnen oppakken, zoals TechYourFuture en TechForFuture. Daar kun je ‘nice to know’-case studies van studenten en het onderzoek van lectoraten zodanig verbinden met de praktijk dat je tot langdurige onderzoekslijnen komt.”
Perrons
Bij de Hanze noemen ze het innovatiewerkplaatsen, vervolgt De Graaf-Peters. “Die vormen een goede basis voor samenwerking. Willen wij in 2030 een blijvend sterk Windesheim hebben, dan is het nodig dat iedere student, docent en onderzoeker, eigenlijk iedereen, toegang heeft tot een dergelijke constellatie om in samen te werken. Ik vind Perron038 een prachtig voorbeeld. Wat je nodig hebt, is een goede fysieke plek waar je graag wilt komen, en een organisatie met financiering om dingen op gang te krijgen. En natuurlijk een goed lectoraat en liefst ook een goede master, om het plaatje compleet te maken. Dan is een TechForFuture een onmisbaar schakel in het geheel.”
Naast een industrieel gericht Perron038 kent Windesheim ook de Technologie & Zorg Academie (TZA). Dwarsverbanden daartussen ziet De Graaf-Peters onder meer ontstaan op de Regiocampus in Meppel, een coöperatie voor leren, innoveren en ondernemen. “Die draait daar al dertien jaar, zonder subsidies. Zorg & welzijn is er een van de grote spelers. De link met de ‘perrons’, zoals 038 of TZA, is dat die op de Regiocampus verder gaan met hun participatieve actieresearch en dat alle partners hun kennis delen om het geheel een stapje verder te brengen. Dus de verschillende initiatieven hoeven niet alles en allemaal hetzelfde te doen, maar ze moeten wel hun kennis durven en willen delen. Dan hebben we ook nog ZWINC, de Zwolle Incubator, waar Windesheim met een hele groep partners werkt aan de ontwikkeling van bedrijvigheid en ondernemerschap. Start-ups worden daar begeleid door studenten en ook studententrepreneurs hebben er een plek.”
Alles verbonden
Kortom, Windesheim staat op allerlei manieren in verbinding met regionale samenleving en bedrijfsleven. En dan is er ook nog de samenwerking met hogeschool Saxion, zoals in hun gezamenlijke initiatief TechForFuture. De Graaf-Peters: “We hebben veel overlap in onze regio en zitten met het aantal jongeren dat terugloopt, maar dat betekent niet dat we elkaar moeten beconcurreren. Want de behoefte aan een leven lang ontwikkelen wordt juist steeds groter en de problemen van onze maatschappij zijn dermate veelvuldig dat je ze zelfs met z’n tweeën niet allemaal zou kunnen beantwoorden. We kijken daarom hoe we onze lectoren goed kunnen laten samenwerken, met elk een eigen inkleuring vanuit hun lokale samenwerkingen. Daarbij moeten we elkaar juist wat gunnen en heel slim en goed samenwerken. Dan zijn we samen van meerwaarde voor onze regio, ook in het onderwijs, met een prachtig programma voor een leven lang ontwikkelen en een stevig aanbod voor de jongeren die gewoon in hun eigen regio een associate degree, bachelor of master willen volgen. Het gaat er daarbij niet alleen om dat we zo’n aanbod hebben, maar dat het ook een helder inkleuring heeft vanuit de eigen regio. En dat de lectoraten verbonden zijn aan de masters, en het geheel weer verbonden is aan de verschillende innovatiewerkplaatsen, of leerwerkplaatsen zoals ze hier worden genoemd. Dat is mijn ambitie voor 2030.”
